Skip to content

Koolzaadhoning (Brassica napus (koolzaad), Brassicaceae)

Herkenning hoofdpollen

  • Middelgrote (26-30 µm) ronde tricolpate reticulate pollen
  • Dik exine

Pollenafmeting en vorm

Kenmerk Waarde
Pollenkorrelgrootte 26 (22.3-28.2) μm
Pollenkorrelgrootte (Beug) 24-32 μm
Vorm rond, sferoid to optisch gering prolaat
Polariteit isopolair
P/E-ratio PoFormI ca. 1.01; 0.96-1.12

Pollenklasse

Kenmerk Waarde
Aperturen tricolpaat
Ornamentatie apertuurmembranen bevatten deels gering korrelig ornamentering

Afbeeldingen

(P = polair aanzicht, E = equatoriaal aanzicht, o = focus op oppervlak, d = focus op doorsnede)

Externe determinatiebronnen

Pollen die erop lijken

  • Spinapis alba (witte mosterd)
  • Raphanus sativus (bladrammanas)
  • Brassica rapa (raapzaad)
  • Brassica oleraceae (kool)

Brassicaceae

  • 174 soorten uit 56 geslachten
  • meestal relatief dikwandige pollenkorrels
  • meestal klein polair gebied
  • groot aantal en variatie binnen een soort

Relevante neven- en bijpollen

  • Trifolium sp
  • Robinia pseudoacacia
  • Rosacea
  • Helianthus annuus
  • Salix sp (wilgen)
  • Taraxanum officinale
  • Malus domesitica (appel)
  • Pyrus communis (peren)

Gelijktijdige bloei

Opportunistische pollen

Secundaire inbreng (windbestuivers)

Melissopalynologische interpretatie

  • een van de snelst kristalierende honing als gevolg van hoog gehalte glucose

Aandeel in de monoflorale honing

  • Representatiegroep: Groep II soms III ( pollenkorrels per 10 gram).
  • pollen zijn oververtegenwoordigd
  • meer dan 60% mag koolzaadhoning heten
  • secundaire pollen 10-30%

Pollengehaltes ("pollengehaltes")

Bron Pollengehalte (per 10 g)
Absolute waarde 75.700
Demianowics 72.000 – 79.600
IHC (Europese honing) 75.700
Sawyer 150.000

Palynologische betekenis

Sleutels

Beug:

  • 1 PK gelijkmatig reticulair of microreticulair geskulpteerd (de skulputering kan in de regio van het polair bereik wat groter zijn of de PK zijn marginaat)
  • 4 PK met andere kenmerken, dus niet langgerekt met parallelen randen, perreticulaar of suprareticulaat, sferoid of gering prolaat (PFormI tot ca 1,45)
  • 7 Intercolpium randen glad, colpusmembraan niet of niet opvallend geskulpteerd
  • 19 PK niet marginaat
  • 21 Columellae eenrijig of niet herkenbaar
  • 22 Exine ten hoogste 2,2 um dik
  • 27 Columellae uitsluitend of overwegend onder de muri (PK perreticulaat of onderscheid tussen perreticulaat en suprareticulaat niet mogelijk) of columellae in overzicht ook met fasencontrast niet of niet helemaal afzonderlijk herkenbaar. Brochi kleiner of groter als 1 um. Hierher auch der retipilate Callitriche palustris type
  • 28 Columellae meestal in helderveld herkenbaar, en in ieder geval met fasecontract duidelijk en regelmatig herkenbaar (als Colomellae alleen polir en subpolair aanwezig zijn vergl. Fabaceae pp S344)
  • 33 klein polair veld
  • 34 PK met duidelijk dun endexine (maar 20-25% van dikte van exine) en colpi zonder opperculum. PK zeer variabel met betrekking tot grootte en vorm (sferoid of gering prolaat, zelden duidelijk prolaat), dikte van exine (1-3,5 um) en grote van de brochi (0,5-3,5 um) Columellae lang en (muv zeer kleine PK B. Descurainia) duidelijk herkenbaar, Endexine relatief dun
  • 21.27 Brassicaceae (S 306) Tricolpatae met reticulate (pre- of suprareticulaten) of microreticulaten Skulpturen

van der Ham

1 Een losse PK - monade 3 PK zonder luchtzakken 4 PK zonder vensters 5 PK met één of meer aperturen 9 PK met drie of meer aperturen 12 PK met 3 of meer langwerpige aperturen - colpi - zonder pori (colpaat) 16 PK met 3 korte of lange colpi (tricolpaat) 17 Tectum afwezig - PK intectaat of aanwezig als netwerk (eureticulaat) 18 Tectum netvormig 20 Colpi in het midden niet versmald 21 PK kleiner dan 50 um 23 Tenminste een deel van de mazen groter dan 1 um 24 Mazen niet duidelijk kleiner naar de colpi toe - colpus randen reticulaat

Sawyer

  • Cruciferae Kruisbloemenfamilie. Grote familie met consistent pollentype. Kenmerkend: rafelige randen van het net aan de zijkanten van de groeven zonder verandering van maaswijdte. Langwerpig ovaal bij onvoldoende gezwollen. Brassica (kool, koolzaad, knolraap, mosterd). Sinapis (herik, witte mosterd). Cheiranthus (muurbloem). Aubrieta en andere voorjaarsbloeiers.

Botanische achtergrond

  • Bloeit als meest fruitbomen zijn uitgebloeid en voor de zomerbloeiers eraan komen
  • Bijen geven 1000kg meeropbrengst per ha
  • 3 kasten per ha, 100-150 kg honing per ha
  • februari - mei: Winterkoolzaad
    • Koolzaad bloeit echter iets later ivm raapzaad
    • bij het koolzaad de knoppen van de ongeopende bloemen hoger zitten dan de bloemen, terwijl bij het raapzaad de bloemen de knoppen bedekken.
  • juli-augustus: Zomerkoolzaad
  • Brassica napus was synthesized by hybridization between its diploid progenitor species B. rapa and B. oleracea followed by chromosome doubling.
  • Hittestress: kan pollen morfologie beïnvloeden
  • Cadmium toxicity: kan pollen morfologie beïnvloeden
  • Effect van bemester:
  • Kan leiden tot grotere pollen
  • Kan bestuiving en vruchtbaarheid van de plant verbeteren
  • Bepaalde soorten zijn steriele hybride die bijna geen pollen leveren

Taxonomie:

Nectar- en pollenwaarde + (start/einde) bloeitijd: [bron: imkerpedia]

Soort Nectar Pollen Start bloei Einde bloei
Brassica napus N 5 P 5 4 8

Brassica napis als referentie voor reticulaire sculptuur

Kerkvliet maakt in de Determinatietabel voor pollen in Nederlandse honing (mrt2014) onderverdeling van reticulate pollen: - zeer fijn reticulaat - fijn reticulaat - reticulaat Brassica napus is hierbij vaal een referentie.

Preparaten

  • Koolzaadhoning de Kwakel Emmen
  • Coupedoosnr: 01 Positie: 02 Datum: 2025-05-22 Locatie: P&R Rijnwaalsnelfietspad
  • Coupedoosnr: 01 Positie: 10 Datum: 2025-05-22 Locatie: P&R Rijnwaalsnelfietspad Jaar tevoren was koolzaad ingezaaid op de aangrenzende akker

Naslag