Skip to content

Groepsindeling monoflorale honing

Groep Pollengehalte per 10 g Voorbeelden
I < 20.000 Robinia, Citrus, Nederlandse honingen
II 20.000–100.000 Meeste honingsoorten
III 100.000–500.000 Vergeet-mij-nietje, tamme kastanje
IV 500.000–1.000.000 Sommige extreem pollenrijke honingen, pershoning
V >1.000.000 Pershoning
Frequentieklasse Percentage
Hoofdpollen vanaf 46%
Begeleidende pollen 16–45%
Belangrijke minderheidspollen (bijpollen) 3–15%
Minderheidspollen (bijpollen) tot 3%

Groep I: 10-20% of minder

  • minder dan 20.000 pollenkorrels per 10 gram
  • honingsoorten met ondervertegenwoordigd pollen.
  • Robinia (Robinia pseudoacacia)
  • Linde (Tilia)
  • Distel (Cirsium)
  • buitenlandse soorten
  • Lavendel(Lavandula)
  • Citrus.
  • Door bloembouw of lage pollenproductie komt weinig pollen in de honing terecht
  • Nectarbijdrage zeer hoog

Groep II: 45% (meestal)

  • 20.000- 100.000 pollenkorrels per 10 gram
  • veel honingsoorten die door slingeren verkregen zijn.
  • fruitbloesem
  • klaver
  • koolzaadhoning
  • buitenlandse honingsoorten
  • koffiebloesem
  • boekweit
  • gemengde bloemenhoningen, hoewel sommige Nederlandse bloemenhoningen duidelijk in groep I vallen.

Groep III: (100.000 tot 500.000 pollenkorrels per 10 gram)

  • oververtegenwoordigde pollen
  • pollenrijke honingsoorten als
  • Phacelia
  • Tamme kastanje
  • Vergeet-mij-nietje.
  • de pollen zijn vrij klein en de stuifmeelproductie hoog

Groep IV (500.000- 1.000.000 per 10 gram)

en

Groep V (meer dan 1 miljoen pollenkorrels per 10 gram)

  • bevatten pershoningen maar ook enkele slingerhoningen met een enorme stuifmeelproductie.
  • "leatherwood" honing (in België verhandeld onder de naam woudhoning uit Tasmanië; een Eucryphiasp.)
  • van pershoningen is de botanische herkomst niet te bepalen door vermenging van opgeslagen pollen van stuifmeel leverende planten en het pollen van nectar leverende planten met de honing
  • geografische herkomst is wel te bepalen

Demianowicz (1964) heeft een uitgebreider berekeningssysteemgeïntroduceerd om de relatie tussen pollenaandeel en nectaraandeel te berekenen.

Aantal te tellen pollen

Kerkvliet: 100 ICPBR: 200 - 300 Behm et al 1996 : 500 voor statistisch verantwoorde percentages

Naslag


todo

Kwalitatieve pollen analyse

Tenminste 500 pollen tellen (Zuverlässigkeit der Pollenanalyse von Honig : Bestimmung der Pollenhäufigkeit, F. Behm, K. V. D. Ohe, W. Henrich, 1996) | Frequentieklasse | aandeel pollen | | --- | --- | | Hoofdpollen | 46% of meer | | Begeleidende pollen (nevenpollen) | 16-45% | | Belangrijke minderheidspollen (bijpollen) | 3-15% | | Minderheidspollen (bijpollen) | minder dan 3% |

ICPBR richtlijnen

Achtergrond informatie

  • ongeveer 100 planten die hun naam hebben gegeven aan uniflorale honing
  • 1998 Internationale Honey Commission of Apimondia (IHC): verzamelen van analytisch data van Europes uniflorale honing
  • 15 honing types geselecteerd voor verdere characterisatie (inclusief 2 honingdauw honing soorten)
  • Gepubliceerd in Main European unifloral honeys: descriptive sheets, Oddo et al, 2004

Absolute pollengehaltes = aantal pollen/10 gram honing

Pollensoort Demianowicz IHC (Europese honing) Sawyer
Koolzaad (Brassica napus) 72.000 75.700 150.000
Witte klaver (Trifolium repens) 18.000 - 50.000
Linde (Tilia sp.) 2.250 15.800 10.000
Tamme kastanje (Castanea) - 288.200 1.000.000

Pollenpercentages waaraan monoflorale honingsoorten moeten voldoen in Europa

Ondervertegenwoordigde pollen Soms ondervertegenwoordigd Normaal vertegenwoordigde pollen Oververtegenwoordigde pollen
Arbutus (8–20%) Calluna (10–77%) Erica (>45%) Castanea (>86%)
Carduus (5–25%) Helianthus (12–92%) Eryobotyra (>45%) Eucalyptus (>83%)
Citrus (2–42%) Rhododendron (15–77%) Hedysarum (>50%) Brassica napus (>60%)
Lavandula latifolia (15–42%) Robinia (7–60%)
Lavandula x intermedia (1–20%) Rosmarinus (10–57%)
Medicago (1–10%) Thymus (13–68%)
Taraxacum (5–40%) Tilia (1–56%)
Minimale pollenpercentages waaraan monoflorale honing moet voldoen(Persano Oddo et al, Apidologie 2004, Volume 35 Suppl. 1).
Soort Hoofd (%) Neven (%) Bij (%)
Witte klaver 80,57 33,06 1,26
Tamme kastanje 6,90 15,37 5,09
Rolklaver 2,70 11,13 7,56
Moerasspirea 2,24 8,65 6,51
Fruitbloesem 1,69 3,22 4,01
Honingklaver 1,60 7,63 8,71
Struikhei 1,46 3,60 0,71
Moerasvergeet-mij-nietje 0,59 2,26 1,66
Wilg 0,46 3,87 2,76
Braam/Framboos 0,27 3,87 7,56
Kruisbloemenfamilie 0,18 1,07 5,27

Minimale pollenpercentages waaraan monoflorale honing moet voldoen(Persano Oddo et al, Apidologie 2004, Volume 35 Suppl. 1).

Demianowicz monoflorale honing nog geen pagina

  • wilgenroosje (vrijwel niet terug te vinden in honing)
  • bernagie
  • korenbloem
  • slangenkruid
  • rolklaver
  • veldhondstong
  • vergeet-mij-nietje

PollenAnalyse van der Ham nog geen pagina en niet bij hierboven

  • Distel groep I
  • fruitbloesem groep II
  • koffiebloesem
  • borago
  • crambe
  • lamsoor (nog geen criteria vastgesteld)
  • teunisbloem (vrijwel niet terug te vinden in Honing)
  • rode bosbes

Procentuele verdeling van pollen in Belgische honing